Future Cup als heerlijke afleiding van ellende bij Ajax 1
In dit artikel:
Ajax beleefde een taai paasweekeinde: het eerste elftal verloor met 2-1 van FC Twente en Jong Ajax leed binnen vier dagen twee dompers (4-2 tegen ADO Den Haag en 6-1 tegen Vitesse). Als tegenwicht bood de Future Cup op De Toekomst troost: een laagdrempelig, sfeervol jeugdtoernooi waar het plezier en de nieuwsgierigheid naar jong talent centraal stonden.
De Future Cup, dit jaar met deelnames van onder meer Paris Saint-Germain, Real Madrid, Sporting Portugal, Anderlecht, Leverkusen en Ajax O17, functioneert als een venster op mogelijke sterren van morgen. Voor de schrijver was het een welkome ontsnapping van de zure actualiteit rond Ajax 1 en de beloften. De herinnering aan een eerste bezoek in 2015 brengt het punt goed over: voor een habbekrats kon je een hele dag tussen spelers in spé, gepassioneerde toeschouwers en herkenbare clubgezichtjes staan — met namen als Matthijs de Ligt in de basis toen, die later een sleutelrol in Ajax’ succesjaren kreeg.
Diezelfde editie toonde ook dat paden uiteenlopen: Donyell Malen viel op, maar koos vroeg voor een avontuur in Engeland dat uiteindelijk bij PSV uitkwam. Andere toen opkomende talenten (Carel Eiting, Dani de Wit, Ché Nunnely e.a.) maakten wel carrière, maar elk op zijn eigen manier. Die voorbeelden illustreren dat jeugdtoernooien zowel belofte als onzekerheid in zich dragen: sommige jongens stijgen door, anderen volgen andere routes.
Sfeerschetsen maken het verhaal rond: fans met broodjes en discussies op de tribune, hulpeloze pubers die tevergeefs twijfelen of ze een foto mogen vragen, en bekende gezichten als Edwin van der Sar die gemoedelijk tussen het publiek staat. Ook Ricardo Kishna werd rustig begroet toen hij langs liep, nog een herinnering aan hoe benaderbaar het complex kan zijn. Die toegankelijkheid en ongedwongenheid zijn precies wat de Future Cup aantrekkelijk maakt — en wat volgens de schrijver tegenwoordig meer Ajax voelde dan het eerste elftal.
Sportief gezien won Anderlecht dit jaar het toernooi, maar voor veel bezoekers was dat niet het belangrijkste: het ging om het ontdekken en vergelijken van namen als Jessurun Simeon, Luca Nas, Elgin Hato, Imran Talai en anderen, en het speculeren wie er ooit het eerste elftal kan halen. Daarmee fungeert De Toekomst als een baken van hoop: een plek waar Ajax in zijn puurste vorm — als kweekvijver van talent en als gemeenschap — zichtbaar blijft, zelfs als de hogere elftallen in een dip zitten.
Tegelijk zijn er kritische noten: de schrijver vraagt zich af of technisch directeur Jordi Cruijff goed weet waar hij aan begint, en erkent dat clubcycli onvermijdelijk zijn. De Future Cup biedt in elk geval een geruststellende constante: er wordt geïnterpreteerd, gedroomd en gediscussieerd alsof niets veranderd is — en dat alleen al voelt voor veel supporters als ‘Ajax zoals het bedoeld is’.