'Perioden waarin Ajax succesvol was, waren gevolg van feit dat de club juist toekomst tegemoet ging'
In dit artikel:
In 2025 vierde Ajax zijn 125-jarig bestaan en dat leidde tot twee dikke jubileumboeken (elk circa 800 pagina’s) waarin zeven auteurs onder leiding van Matty Verkamman en met organisatorische steun van Brian Borghardt de clubgeschiedenis uittekenden. In deze aflevering van de ‘Ajax Boekenkast’ praten auteurs Menno Pot (1975) en Henk Mees (1948) over het schrijfproces, de keuzes voor onderwerpen en wat Ajax volgens hen kenmerkt.
De schrijvers verdeelden onderwerpen vooral op basis van persoonlijke ervaring en interesse: oudere auteurs, zoals Mees, kozen vanzelfsprekend voor periodes waarin zij de club van dichtbij meemaakten — Mees schreef daarom over Johan Cruijff — terwijl Pot stukken deed over zijn jeugdidolen (zoals Jesper Olsen) en historische onderwerpen zoals Ajax tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zo ontstond een breed palet aan invalshoeken waarin ieders expertise terugkomt. Een luchtige anekdote illustreert die persoonlijke binding: David Endt, lang teammanager, was bij de Europacupfinale van 1972 aanwezig en bleek zowel voor Ajax te juichen als fan van Internazionale te zijn.
Het boek verscheen rond 18 maart 2025, de jubileumdatum, waardoor de afronding van het seizoen 2024/25 en de definitieve balans rond trainer Francesco Farioli niet kon worden meegenomen. Pot betreurt dat: hij had in een volgende druk graag het volledige verhaal over dat seizoen en Farioli willen toevoegen. Het mislopen van het kampioenschap past volgens Pot wel in een historisch patroon waarin jubeljaren (1925, 1950, 1975, 2000) het vaker slecht deden — 2025 leek aanvankelijk een mogelijke breuk in die traditie, maar dat bleek niet het geval.
Over wat Ajax bijzonder maakt, verschillen de accenten. Mees legt de nadruk op kwaliteit en stijl: voetbal op kwaliteit in plaats van puur vechtlust. Pot ziet aanvallend, attractief voetbal als rode draad, maar waarschuwt dat elke lijn zijn uitzonderingen kent. Beide auteurs onderscheiden drie piekmomenten waarin Ajax echt invloedrijk was: begin jaren zeventig, midden jaren negentig en — in mindere mate als standaardzetter — 2019. Pot en Mees betogen dat innovatie de kern van Ajax zou moeten blijven; het begrip ‘Ajax-DNA’ moet volgens Pot niet leiden tot terugverlangen naar het verleden, maar juist worden begrepen als een drijfveer voor vernieuwing.
De discussie over moderniteit versus conservatisme keert regelmatig terug: Pot prijst de aanstellingen van Ten Hag en Farioli als moderniserend, maar hekelt het intellectuele terugvallen op traditioneel denken waarmee Ajax zichzelf volgens hem recent tekortdeed. Mees herinnert aan een veel oudere conservatieve episode rond de invoering van betaald voetbal in 1954 en wijst daarmee op een blijvende interne discussiecultuur tussen behoud en vernieuwing.
De bekendheid van Ajax met jong talent en de doorstroom uit de jeugdopleiding is een ander centraal thema. Beide auteurs benadrukken dat jonge spelers technisch vaardig moeten zijn, lef moeten tonen en bestand moeten zijn tegen druk. Ajax combineert volgens hen individuele flair met strakke systeemdiscipline: talent kan bloeien, mits binnen een duidelijk tactisch kader en met ervaren spelers om de overgang te begeleiden. Abdelhak Nouri wordt als symbool van dat jeugdideaal besproken, maar ook als afspiegeling van het multiculturele Amsterdam dat Ajax steeds is geweest.
Als slotraad geven Pot en Mees een tweeledige boodschap mee: behoud de clubidentiteit, maar blijf de toekomst omarmen. Vernieuwing, niet nostalgie, moet volgens hen de weg terug naar de top bepalen — een les die Ajax mee zou moeten nemen richting 2026.